Steun ons en help Nederland vooruit

woensdag 6 september 2017

Burgerparticipatie en doe-democratie — Hoe staat het daar eigenlijk mee?

Op 5 september is tijdens het forum Samenleving het Rekenkamer-rapport over burgerparticipatie in Rijswijk en een voorstel van het college dat invulling geeft aan een aantal aanbevelingen uit dit rapport besproken. Wat hierna volgt is de reactie van D66-raadslid Mark Storm.

“Het rapport van de Rekenkamer liegt er niet om. Een Cynicus zou zeggen dat het een wonder is dat inwoners van Rijswijk überhaupt zo af en toe kunnen meepraten, zo weinig lijkt er op orde. Het is dus maar goed dat ik een Stoïcus ben, want zoiets zou ik natuurlijk nooit zeggen.

Het rapport maakt terecht een onderscheid tussen ‘top down’ burgerparticipatie — de burger die meedoet aan een door de overheid georganiseerd proces (welkom op ons feestje maar u kunt maar heel even blijven) — en ‘bottom up’ doe-democratie (ik ben geneigd te zeggen, de burger die het bestuurlijke feestje wreed verstoord).

De overheid heeft grip op burgerparticipatie — zij organiseert dat immers zelf — maar niet op doe-democratie — die kan zij hooguit mogelijk maken. Maar al lezend krijg ik toch de indruk dat ook doe-democratie binnen de ‘span of control’ van de overheid wordt gehaald. Het wordt gezien als iets wat moet worden gereguleerd … bijvoorbeeld door middel van een ‘loket’.

Hoe dan ook, voor beide geldt dat we ons moeten afvragen welke rol college, ambtenaren, burgers en ook de gemeenteraad en raadsleden hebben. Want meer directe democratie is mooi, maar praktisch gezien betekent het natuurlijk dat inwoners meer voor het zeggen krijgen. En dat kan zo maar betekenen dat bestuur en gemeenteraad minder voor het zeggen hebben — dat we van ‘beslissend’ in veel gevallen ‘kaderstellend’ zullen worden.

Het college vraagt ons nu drie dingen …

Allereerst, kennis te stemmen van het rapport van de Rekenkamer. Dat hebben we gedaan.

Dan of we kunnen instemmen met de bevindingen en aanbevelingen uit het Rekenkamer-rapport. Dat kan de fractie van D66. Maar wèl met een belangrijke kanttekening, namelijk dat het rapport onvolledig is. Dat is overigens geen verwijt aan het adres van de Rekenkamer. Die heeft slechst onderzoek gedaan binnen een bepaalde context. Er is dus nog veel meer te zeggen en te vinden over directe democratie dan door de Rekenkamer is opgeschreven. Laten we het dus vooral zien als een aanzet tot verder denken, verdere verkenning en vooral tot verdere discussie.

In dezelfde adem vraagt het college ons in te stemmen met de bestuurlijke reactie. Maar die ‘cherry-pick’-t uit het rapport. Het is een selectie en daarmee wordt de schijn gewekt dat het college een keuze heeft gemaakt — “dit wel” en “dit niet”. Ik hoop dat ik me hierin vergis.

Kijk, het besluit om burgerparticipatie beter te borgen in wat op het stadhuis gebeurt, dat is aan het college en de ambtelijke organisatie. Maar ik wil wèl iets kunnen zeggen over hoe dat gebeurt. Maar dat kan nu niet omdat de uitwerking ervan ontbreekt nog. Maar de keuze om beter te borgen is ten principale juist. Over het “wat en hoe” komen we, neem ik aan, nog te spreken.

En dat geldt ook voor het initiatievenloket. Zolang u dit niet ziet als hèt antwoord op de vraag naar meer ruimte voor doe-democratie maar als één van de vele mogelijke antwoorden, en als we ook hier op een later moment met elkaar in gesprek gaan over “wat en hoe”, prima.

Maar dan wordt het ingewikkelder. U nodigt de raad uit om met u in gesprek te gaan over participatiedoelen en -waarden.

En hier wordt snel de stap gemaakt naar de werkgroep Raad in Positie. Inderdaad, er liggen verschillende notities en voorstellen hoewel die nog niet allemaal de raad hebben bereikt. Hopelijk inmiddels al wel het presidium. Zo is er het voorstel om de werkgroep te herdefiniëren als stuurgroep democratische vernieuwing met een bredere vertegenwoordiging vanuit de raad en, inderdaad, de verantwoordelijkheid voor het organiseren van een aantal experimenten. En met een beetje goede wil kun je de beeldvormdende sessies die zijn overgebleven uit het BOB-experiment zien als een manier om de buitenwereld vaker te betrekken bij besluitvorming. En er ligt bovendien bij de werkgroep nu een voorstel voor verdergaande experimenten met burgerparticipatie in het kader van de ontwikkeling van een omgevingsvisie voor het gebied in en rond de Boogaard.

Het is dus niet zo dat er niks gebeurt, ondanks de terechte kritiek in het Rekenkamer-rapport. Er zijn in deze raadsperiode nieuwe ervaringen opgedaan, er zijn ideeën genoeg en er liggen ook concrete voorstellen, onder andere van de werkgroep. Het  … gaat  … alleen … heel … erg … traag — van vergadering naar vergadering.

Ik zou nu dus kunnen zeggen dat het college nog meer moet doen en dat de burgemeester een actievere ambassadeursrol zou moeten spelen. Graag (!), beide … Maar de grote uitdaging ligt ergens anders. En het Rekenkamer-rapport verbloemt dat een beetje, onbedoeld maar toch, met zeven aanbevelingen voor het college en slechts twee voor de raad lijkt het alsof het werk vooral aan die kant van de tafel moet gebeuren.

En als we dan naar die twee aanbevelingen kijken dan is de laatste er één die ‘van nature’ past bij de rol van de raad, namelijk het “bewaken dat het college … enzovoort”.

Maar het gaat natuurlijk vooral om die één na laatste aanbeveling waarin de raad gevraagd wordt zich uit te spreken over de wenselijkheid en voorwaarden van democratische vernieuwing. En waar het college voorstelt ‘burgerparticipatie’ beter te borgen binnen het stadhuis, zou ook de raad de stap moeten nemen ‘democratische vernieuwing’ te borgen in de raad. En dat is niet hetzelfde als het hebben van een werkgroep.

Concluderend …

De fractie van D66 kan instemmen met het raadsvoorstel, mits dat voorstel een startpunt en geen eindpunt is en mits we over de ontbrekende “wat en hoe”-stukken nog te spreken komen. De bewakende rol van aanbeveling 9 uit het rapport van de Rekenkamer (‘Raad: Bewaak dat het College van B&W de beleidsontwikkeling voor burgerparticipatie oppakt en initiatieven neemt om de ‘ruimte voor participatie’ in het denken en handelen van de hele organisatie te verankeren).

En dat het aan de bestuurlijke kant van deze tafel best sneller en pro-actiever kan, en soms ook moet, laat onverlet dat we aan deze kant van de tafel — als raad en als individuele raadsleden — eerst maar eens bij onszelf te raden moeten gaan. De zelf-reflectie van aanbeveling 8 (‘Raad: Spreek u uit over de wenselijkheid en voorwaarden van burgerparticipatie en de ‘doedemocratie’. Denk daarbij na over de kaders en spelregels, en in het bijzonder over de ruimte die u aan initiatieven van burgers en ondernemers wil bieden en de beslisruimte die de raad zelf wenst te behouden).

Wat willen wij nu eigenlijk met die ‘vervelende’ burger? Dadelijk hebben we wel 100 Cees-en [refererend aan de heer van Overbeek, die te vuur en te zwaard opkomt voor het belang van ‘de burger’ en die bovendien insprak voorafgaand aan de forumvergadering] op de stoep staan. Welk stukje van onze bevoegdheid willen we overdragen? Waarom, wanneer, hoe? Is zoals we hier wekelijks bij elkaar zitten en vergaderen in termijnen, is dat nog wel de beste manier om een stad te besturen? Stuk voor stuk relevante vragen die overal worden gesteld, maar nog niet door ons, maar waarop we wel zèlf en met elkaar antwoorden zullen moeten vinden.

Mijn voorstel is dan ook om de uitnodiging van het college tot een gesprek over participatiedoelen en -waarden niet alleen te zien als uitnodiging om met het college in gesprek te gaan, maar vooral als een uitdaging om met onszelf in gesprek te gaan. De werkgroep [Raad in Positie] kan daar een initiërende rol in spelen maar kan niet 29 raadsleden vervangen. Als we de burger een grotere stem willen geven, moet de raad zich daarover durven uitspreken.

Ik ben dus blij met de uitnodiging van het college omdat ik hem vooral lees als als een uitdaging voor onszelf.”